|
In zachte winters
begint de balts al in januari, maar meestal begin februari. De
bosuil broedt in maart. In april worden de jongen geboren. Het
vrouwtje broedt de eieren uit en verlaat het nest alleen om
braakballen en ontlasting kwijt te raken. Er worden, afhankelijk van
het voedselaanbod, één tot vijf eieren gelegd. Als er veel
voedselaanbod is, wordt er in het nest zelfs een voedselvoorraad
aangelegd. In slechte seizoenen, met weinig voedselaanbod, kan ook
wel eens een broedseizoen worden overgeslagen.
De jongen komen na 28 á 30 dagen uit en de eerste tien dagen laat
het vrouwtje ze niet alleen. Deze zijn namelijk in eerste instantie
blind. Het mannetje voert voedsel aan, het vrouwtje scheurt stukjes
vlees zonder haren en botten van de prooi af. Die houdt ze tegen de
snavel van de jongen, zodat ze op de tast het voedsel vinden. Uilen
hebben zeer gevoelige tastharen, waarmee ze in het pikkedonker
prooien kunnen herkennen. Zolang de jonge uilen bezig zijn met de
opbouw van hun bottenstelsel, maken ze gebruik van de kalk in de
botten van de prooidieren. Uit onderzoek is gebleken dat in de
eerste uilenballen die de jongen uitspugen, vrijwel geen botresten
voorkomen.
Zodra de
jongen iets ouder zijn verlaat het vrouwtje af en toe het nest om
mee te jagen. Na vier á vijf weken verlaten de jongen het nest. Ze
kunnen dan nog niet goed vliegen en zitten voortdurend in de buurt
van het nest op takken om eten te bedelen. Ze worden daarom
"takelingen" genoemd. De jongen komen niet meer terug op het nest.
Als ze ongeveer vijftig dagen oud zijn, beginnen ze korte vluchten
te maken. In totaal duurt het zo’n twee maanden voordat de jongen
zelf in staat zijn een prooi te vangen. Een bosuil is na één jaar
volwassen en kan dan voor nageslacht zorgen. Bosuilen kunnen zo’n 10
á 15 jaar oud worden. |
|